Nieuw-Zeeland, Eutopia?

Nieuw-Zeelandse nationale identiteit is onlosmakelijk verbonden met utopisch denken. Dit is niet zo verassend, aangezien het landschap van het land utopisch aandoet. De wortels van de utopische reputatie liggen echter in de kolonisatie: Nieuw-Zeeland was een Britse kolonie, bedoeld voor emigratie. In Nieuw-Zeeland, zijnde het laatst gekoloniseerde land, konden maatschappelijke fouten die werden gemaakt in Europa of in eerdere koloniën worden vermeden. De grootste reden dat Nieuw-Zeeland als utopie kan worden beschouwd, is volgens recente wetenschappelijke literatuur dat de communicatie met de Maori relatief makkelijk ging. Australië wordt, vanwege de behandeling van Aborigines, vaak gezien als een dystopie, Nieuw-Zeeland daartegenover als utopie. Er wordt echter weinig aandacht besteed aan de beleving van de Maori zelf. Kolonisatie is per definitie een dystopie voor een inheemse bevolking, en was dat ook zeker voor de Maori. Toch wordt dit vaak niet genoemd. Aan de hand van Maori-feminisme wordt aangetoond dat de kolonisatie nog steeds een dystopie vormt voor de Maori. Wordt de utopische reputatie ook nu actief in stand gehouden, en vormt dit een bewijs dat er nog steeds behoefte is aan het idee dat een utopie kan bestaan? 
IMG_7451

Nieuw-Zeeland, Eutopia?

Meer dan eens zijn bewoordingen uit het utopisch vocabulaire gebruikt om Nieuw-Zeeland af te schilderen. Beschrijvingen als ‘the Labourer’s Paradise’, ‘Land of Promise’, ‘Better Britain’ en boektitels als New Zealand an Earthly Paradise (William Morris, 1889) zijn er in overvloed. Niet alleen ten tijde van de negentiende-eeuwse migratiegolven vanuit Engeland naar Nieuw-Zeeland, maar ook in meer recente literatuur zoals Seymour Kopf’s All the Curious Traveler Would Want to Know About the Only Remaining Utopia for the Average Man – New Zealand uit 1975. Nieuw-Zeeland kent een traditie van weergave als een utopisch paradijs, en utopische fictie kende op haar beurt een bijzonder grote Nieuw-Zeelandse afzetmarkt, wat een indicator is dat de utopie voor de inwoners van het land zelf ook een grote rol speelde.[3] Ook binnen de wetenschap wordt het land een utopische identiteit toegerekend: Lyman Tower Sargent noemt het de kolonie met een van de sterkste utopische tradities, en duidt utopie aan als een centrale factor in de nationale identiteit.[4] Deze associatie van het land met een utopie lijkt op het eerste gezicht al niet uit de lucht gegrepen. De twee eilanden waaruit het land bestaat zijn, net als Thomas More’s Utopia, afgezonderd van de rest van de wereld.[5] De natuur is beeldschoon, weids, en kent plantensoorten die nergens anders voorkomen. In tegenstelling tot het buurland Australië, wonen er in Nieuw-Zeeland dankzij haar geografische afzondering van origine geen landzoogdieren. De inheemse fauna bestaat uit enkel insecten en vogels, waaronder een grote verscheidenheid aan loopvogels, wat het land ook in dit opzicht uniek maakt. Het lage bevolkingsaantal, de hoeveelheid en schoonheid van de natuur, en de unieke flora en fauna dragen bij aan het gevoel dat men zich in Nieuw-Zeeland in een geheel andere wereld bevindt, die is ontkomen aan kwalen als overbevolking of verdwijnen van de natuur en dus niet alleen anders maar ook beter is dan de wereld die wij kennen.[6]

De echte wortels van de utopische reputatie van Nieuw-Zeeland liggen echter niet bij haar unieke sfeer of natuur, maar bij de motivatie van hen die er in de negentiende eeuw vrijwillig uit Groot-Brittannië naartoe emigreerden. Lyman Tower Sargent maakt een onderscheid tussen koloniën die bedoeld waren voor economische exploitatie ten behoeve van het vaderland van de kolonisator, en koloniën die zowel voor economische exploitatie als voor bewoning dienden.[7] Omdat de emigrant vaak vertrok met de hoop een beter leven op te kunnen bouwen in de kolonie dan in het vaderland, bracht deze tweede soort kolonie verscheidene utopieën voort.[8] Nieuw-Zeeland was zo’n soort kolonie. De Britten die naar Nieuw-Zeeland emigreerden waren afkomstig uit een bevolkingsgroep die in het thuisland niet in aanmerking kwam voor volwaardig burgerschap, maar toch genoeg geld bezat om de overtocht te kunnen bekostigen. Zij hoopten in deze ‘nieuwste wereld’, die als allerlaatste ontdekt was door de mensheid en relatief weinig bewoners had, een betere versie van Engeland op te bouwen, een samenleving waarin de gebreken van Europa of andere koloniën zouden worden vermeden.[9] Zowel een aristocratie als een extreem arme bevolkingslaag zouden in ‘Better Britain’ ontbreken, en de relatie met de inheemse bevolking zou in Nieuw-Zeeland, in tegenstelling tot de situatie met de Aborigines in Australië, gemoedelijker zijn.[10] Ook had men uitzicht op een beter loon en meer status. Verschil in klassen was er nog wel, maar dat werd als minder schrijnend ervaren omdat men elkaar op vrijwel gelijke voet behandelde, zoals blijkt uit de briefwisselingen die pioniers hadden met hun familie en vrienden in het vaderland.[11] Daarnaast lag er in deze brieven een grote nadruk op de beschikbaarheid van goed voedsel, waarbij de dagelijkse mogelijkheid tot het eten van goede kwaliteit vlees van groot belang werd geacht.

James Belich beargumenteert dat de massale emigratie vanuit Engeland en Ierland naar de Britse koloniën niet uitsluitend door afstotende en aantrekkende factoren kan worden verklaard, en wel móét zijn gebaseerd op een utopische ideologie.[12] Hij toont aan dat, door de aanwezigheid van vruchtbaar land dat in de eerste jaren van bewerking gulle oogsten opbracht, de pionierskoloniën, en daarmee Nieuw-Zeeland, dikwijls werden vergeleken met het ‘Land van Kokanje’. Dit ‘Land van Kokanje’ vormde onder de lagere klassen een utopische traditie als een land waar voedsel in overvloed was. Ook was de emigratie volgens hem gemotiveerd vanuit een nostalgische utopie, die werd aangeduid als ‘Merrie England’. In dat ‘Merrie England’, dat volgens Belich echt zou hebben kunnen bestaan in het Engeland van tussen 1670 en 1760, was er net zoals in de kolonie genoeg eten voor iedereen, algemene tevredenheid en een meer gelijkwaardige omgang tussen de verschillende bevolkingsklassen dan in het negentiende-eeuwse Engeland het geval was.[13] De belangrijkste motivatie voor emigratie lag echter in het feit dat de pionier in de kolonie een mogelijkheid had om zelfstandig te zijn, door het bezit van eigen land. De Britse wet, die vaak in aangepaste vorm werd getransplanteerd naar de kolonie, garandeerde vrijheid op basis van kiesrecht en recht op een ‘eerlijk’ proces voor elke Engelsman, op voorbehoud dat hij een onafhankelijke volwassen man was.[14] Onafhankelijkheid kon alleen worden behaald wanneer die man in zijn eigen onderhoud kon voorzien door het bezit van een stuk grond. In de praktijk kwam het er op neer dat maar een heel klein deel van de Britse bevolking deze vrijheid kon genieten, en de rest afhankelijk was van dit kleine deel van de bevolking. In Nieuw-Zeeland kon rond het midden van de negentiende eeuw, dankzij het bezit van een eigen stuk grond, zestig procent van de blanke volwassen mannen stemmen, in tegenstelling tot maar vijftien procent in Engeland.[15]

Ook voor andere ondergeschikte bevolkingsgroepen in Groot-Brittannië bood emigratie naar een kolonie een mogelijkheid tot verwezenlijking van een utopie: vrouwen uit de hoge klasse en hogere middenklasse zagen door middel van emigratie kans op een baan, op invloed op de vorming van een nieuwe samenleving, en op meer gelijkheid in de relatie tussen man en vrouw en tussen verschillende sociale klassen.[16] Een speciaal voordeel van Nieuw-Zeeland was dat het land de eerste was waar kiesrecht voor vrouwen was doorgevoerd, namelijk in 1893.[17] In 1901 werd in Engeland de Imperial Colonist opgericht, een blad van vrouwen vóór vrouwen dat de ‘juiste soort’ vrouw aanmoedigde om te emigreren naar de koloniën, niet alleen omdat zij daar betere kansen zouden hebben op een baan en maatschappelijke invloed, maar ook omdat het in hun ogen de plicht van de Engelsen was om over de wereld ‘Little Englands’ te stichten. Zij volgden hierin de utopische ideeën van Edward Gibbon Wakefield, die geloofde dat door systematische kolonisatie en het stichten van deze ‘Little Englands’ de superieure karaktertrekken van de Britten over de wereld verspreid zouden raken, wat de hele wereld en met name Engeland zelf ten goede zou komen. Het Anglo-Saksische ras zou andere volken helpen met het bereiken van volwaardige beschaving, zelfs het land voor hen regeren tot deze volkeren voldoende waren geklommen op de evolutionaire ladder om dit zelf te kunnen doen. In die kolonisatie had de vrouw een onmisbare rol, omdat zij de ware basis van het Rijk was: zij maakte namelijk de kolonie tot een thuis. Als logisch gevolg van deze rassen-utopie kwamen volgens de Imperial Colonist alleen Engelse vrouwen van de beste soort voor emigratie in aanmerking. Door het uitoefenen van deze voor de vrouw weggelegde rol binnen het kolonisatieproces kregen vrouwen, terwijl zij een speciale dienst verleenden aan het Britse Rijk, een mogelijkheid te ontsnappen aan hun beklemmende rol in Engeland.

In het kolonisatieproces van Nieuw-Zeeland hebben, zoals gedemonstreerd, meerdere utopieën een aandeel gehad, zowel met betrekking tot een ideale samenleving als met oog op verbetering van persoonlijke leefomstandigheden. Nieuw-Zeeland functioneerde hierbij niet als een imaginaire non-plaats zoals Thomas More’s Utopia, dat met name diende als vehikel voor kritiek op zijn eigen samenleving, maar was een plaats waar minderheden uit de Engelse samenleving hun utopie konden realiseren. De benaming ‘eutopie’, goede plaats, is dan ook meer van toepassing dan de term ‘utopie’, die impliceert dat het gaat om een plaats die niet bestaat.[18] Dit beeld van een utopisch Nieuw-Zeeland, dat was ontstaan tijdens de massale emigratiegolven, werd overgenomen en kracht bijgezet door de overheid in de periode tussen 1870 en 1930.[19] Een afname van de immigrantenstroom en een uittocht van inwoners naar buurland Australië zorgde ervoor dat men pogingen ging doen om het imago van Nieuw-Zeeland te verbeteren, zowel om permanente bevolking aan te trekken als om toeristen te lokken die waren afgeschrikt door de krijgslustige reputatie van de inheemse bevolking. De Nieuw-Zeelandse overheid en toerisme-organisaties gingen actief deelnemen in de beeldvorming van het land als utopie. Deze beeldvorming kwam niet alleen voor in reclamebrochures van reisbureau’s, maar ook in contemporaine literatuur die dikwijls lijkt te zijn opgesteld als regelrechte promotie van het eigen land.
Menigmaal wordt in de wetenschappelijke literatuur over Nieuw-Zeeland het argument aangedragen dat de relatief goede verstandhouding met de inheemse bevolking, in vergelijking met de situatie in andere pionierskoloniën zoals Australië of de Verenigde Staten, van grote invloed is geweest op de utopische beeldvorming van het land. Zonder die verstandhouding was er waarschijnlijk geen utopie geweest, want Australië wordt niet voor niets bestempeld als dystopie omdat het, voor een groot deel door toedoen van slechte relaties met de Aborigines, zo moeilijk te koloniseren was.[20] Belich identificeert drie redenen die ervoor hebben gezorgd dat de relatie met de inheemse bevolking in Nieuw-Zeeland soepeler verliep dan in andere koloniën. Ten eerste ging het koloniseren van het land langzaam, waardoor de Maori makkelijker aan hun eigen culturele autonomie vast konden houden. Ten tweede werd er door de Engelsen meer moeite gedaan om rechtvaardig over te komen, en ten derde werden de Maori beloond voor hun deelname in de strijd om Nieuw-Zeelandse onafhankelijkheid van de Engelsen en deelden de pioniers en Maori op die manier een overwinning.[21] De Engelse pioniers hadden duidelijk lering getrokken uit de eerdere ervaringen in Australië van hun collega’s. Dominic Alessio gaat, in zijn artikel over de beeldvorming van Nieuw-Zeeland door de toerisme-industrie en de overheid, ook in op de bijdrage van de relatie met de Maori aan de utopie. New Zealand’s Department of Tourism maakte expliciet gebruik van Maori vrouwen om een beeld te schetsen van Nieuw-Zeeland als een ‘Land van Kokanje’, een utopische plaats waar dit keer vrouwen in plaats van voedsel, zowel blank als Maori, in overvloed aanwezig waren.[22] Daarnaast bestond er een rassenideologie waarin de blanke Nieuw-Zeelander een superieur ras vormde ten opzichte van andere blanken, en de Maori Nieuw-Zeelander een soort nobele zwarte was. Termen als ‘Better Black’, ‘Brown Briton’ of ‘White Maori’ werden gebruikt om de inheemse bevolking te beschrijven. Door te stellen dat de Maori, net als de Nieuw-Zeelandse pionier, superieur waren aan hun eigen soort, namelijk zwarten, werd gesuggereerd dat de Maori makkelijk mee zouden gaan in de Engelse overheersing, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Aborigines. Ook zouden zij geen bedreiging vormen voor de harmonie in het land, omdat zij een beschaafd volk waren. Nieuw-Zeeland werd als een utopie van edele rassen neergezet, dat door de tegenstelling met het dystopische Australië nog eens aan kracht won. De twee landen werden dan ook expliciet tegenover elkaar geplaatst. Alessio benadrukt dat het afschilderen van de Maori als beschaafd, anders dan andere inheemse volkeren, deels voortkwam uit de noodzaak om toeristen en potentiële immigranten gerust te stellen in hun angst voor de inheemse bevolking van Nieuw-Zeeland, die immers een zeer strijdlustige reputatie had. Het feit dat het niet illegaal was met de inheemse bevolking te trouwen, wat een unicum was in het Britse Rijk, wijst echter aan dat het geloof in de superioriteit van de Maori geen volledige farce was.[23] De Maori kregen, zoals aangetoond, in de Nieuw-Zeelandse utopie een bijzondere rol toebedeeld. Zij vormden een instrument binnen de voorstelling van deze utopie, veelal voor commerciële doeleinden. Toch pasten zij ook ook in een oprecht utopisch idee, namelijk dat er daadwerkelijk een land bestond waar het voedsel uit de grond sprong en de inheemse bevolking van een superieur ras was. En in dat Utopia, of beter gezegd Eutopia, was er plaats voor de blanke pionier om een eigen utopie te realiseren. Sargent stelt zelfs dat in het bijzonder in Nieuw-Zeeland de utopie van kolonisator en gekoloniseerde in het post-koloniale tijdperk geïntegreerd raakten, waarbij de Maori-utopie de utopie van de blanke Nieuw-Zeelanders beïnvloedde.[24]

Om voor de hand liggende redenen was voor de Maori, net zoals voor alle gekoloniseerde volkeren, de kolonisatie echter een dystopie: het land werd hen afgenomen, de levenswijze van de Engelsen werd hen opgedrongen en zij kregen, ondanks hun superioriteit boven andere zwarten, een ondergeschikte positie in de nieuwe samenleving. In het bijzonder gold deze dystopie voor de vrouwelijke Maori. In de Maori-cultuur bestond geen hiërarchisch onderscheid tussen man en vrouw, en konden vrouwen net zo goed als mannen een leidinggevende spirituele, politieke of militaire functie vervullen.[25] Dit was grotendeels mogelijk gemaakt doordat kinderen gemeenschappelijk werden opgevoed binnen de whanau, de familie, en vrouwen op die manier letterlijk hun handen vrij hadden om andere rollen binnen de gemeenschap te vervullen dan de Europese vrouw, die in het gezin de verantwoordelijkheid voor de zorg van de kinderen alléén droeg. Ook uit andere aspecten van de Maori-samenleving blijkt dat vrouwen en mannen een gelijke positie hadden. Vrouwen mochten bijvoorbeeld hun eigen naam behouden wanneer zij huwden, en kinderen mochten de identiteit van één van de ouders kiezen wanneer ze opgegroeid waren. Getrouwde vrouwen bleven deel uitmaken van hun whanau, die in het huwelijk achter hen bleef staan. Dit maakte vrouwen minder kwetsbaar voor huiselijk geweld, waar binnen de Maori-cultuur zware straffen op stonden. Dit was een tegenstelling met het Europese gebruik, waarin vrouw en kinderen eigendom waren van de man en dus ook zijn naam overnamen, en de man hen kon behandelen zoals hij wilde.[26]

Tijdens de kolonisatie werd de Maori een groot deel van hun land afgenomen, waardoor zij gedwongen werden naar de steden te trekken en deel te nemen aan de westerse samenleving die was opgericht in Nieuw-Zeeland. In de stad was de constructie van de whanau niet langer houdbaar en werden de Maori gedwongen een ‘normaal’, westers gezinsleven te leiden, waarbij de man het geld verdiende en de vrouw de rol van huisvrouw aan moest nemen. Daardoor was zij niet alleen niet meer in staat om een leidinggevende functie te vervullen, maar ook een stuk kwetsbaarder voor huiselijk geweld. Maori-feministe Annie Mikaere stelt dat de kolonisator met opzet de gelijkheid in de Maori-cultuur ondermijnde, door alleen verdragen te sluiten met mannelijke Maori en verhalen over vrouwelijke Maori-leiders af te doen als uitzonderingen. Of de kolonisator inderdaad met kwade opzet de gelijkheid tussen man en vrouw in de Maori-samenleving heeft geprobeerd te breken, of dat dit een gevolg was van onbegrip van de Engelsen dat voortkwam uit de eigen denkbeelden over hiërarchie tussen de sekses, is moeilijk vast te stellen.[27] Feit is echter dat de kolonisatie van Nieuw-Zeeland voor de Maori, met name voor de vrouwelijke Maori, desastreuse gevolgen heeft gehad. Waar vrouwen eerst een leidinggevende functie konden vervullen en dezelfde kansen hadden als de mannelijke Maori, werden zij nu gedwongen huisvrouw te zijn en waren zij dubbel gedupeerd: om hun afkomst, en om hun geslacht. Mikaere pleit, omdat zij ziet dat de ongelijkheid tussen man en vrouw in de huidige samenleving nog steeds bestaat, voor een terugkeer naar de originele waarden van de Maoricultuur.[28] Dat kan alleen worden gerealiseerd wanneer de macht weer in handen is van de Maori. Op die manier kunnen de destructieve gevolgen van kolonisatie ongedaan worden gemaakt, en kunnen de Europese tradities en opvattingen die niet binnen de Maoricultuur thuishoren worden geëlimineerd. De opvatting dat de samenleving van de Maori, zoals die vóór de kolonisatie was, moet worden gereconstrueerd, is een uiterst utopische opvatting waarin een paradijselijk verleden in de toekomst moet worden gereconstrueerd om de dystopie die de kolonisator met zich mee bracht te overkomen.[29] Deze vorm van utopie is niet vreemd onder gekoloniseerde volkeren. Maori-feministen spelen binnen het Maori-nationalisme dan ook een bijzondere rol, waarbij zij expliciet gebruik maken van hun vrouwelijke culturele claim op gelijkheid tussen de twee geslachten om in feite een utopie te reconstrueren die voor alle Maori geldt.[30] De algemeen toegepaste westerse term ‘feminisme’ is in dit geval dan ook eigenlijk foutief, aangezien daarmee wordt geïmpliceerd dat het einddoel emancipatie van de vrouw is, en niet van het hele volk.
De utopieën van de pioniers ten tijde van de kolonisatie van Nieuw-Zeeland, en het gebruik en benadrukken daarvan door overheid en toeristenbureau’s, hebben Nieuw-Zeeland een utopisch imago gegeven dat verweven is geraakt met de nationale identiteit van het land. Voor de lagere middenklasse was Nieuw-Zeeland een plaats waar een utopische samenleving met meer welvaart, gelijkheid en politieke inspraak, al dan niet geassocieerd met het nostalgische ‘Merrie England’ of met de utopische traditie van het ‘Land van Kokanje’, gerealiseerd kon worden. Britse vrouwen zagen in het land een mogelijkheid tot het verwerven van meer vrijheid dan zij in het thuisland kregen, en Nieuw-Zeeland maakte als ‘Little England’ deel uit van Wakefield’s rassentheorie waaraan ook zeker een utopische factor in te ontwaren is: de wereld bevolkt door een superieur ras. Zowel uit ideologische als economische motivatie is het imago van Nieuw-Zeeland als utopie ontstaan of zelfs opzettelijk kracht bijgezet. In dit beeld van Nieuw-Zeeland is de inheemse bevolking expliciet geïncorporeerd, want zoals Sargent aantoonde was in de Australische situatie de moeizame relatie met de Aborigines een grote aanleiding voor de reputatie van het land als dystopie. Door de Maori als makkelijk te koloniseren of als een goed ontwikkeld ras af te schilderen, werd het land door de overheid aantrekkelijker gemaakt voor eventuele toeristen en immigranten. Daarnaast zal de beeldvorming van Nieuw-Zeeland als een vruchtbaar eiland, met inheemse bevolking van een superieure kwaliteit, bij hebben gedragen aan het fantastisch idee dat een Utopia zoals Thomas More het introduceerde wellicht tóch bestond. Wanneer men recente wetenschappelijke literatuur leest, waarin de relatie tussen Nieuw-Zeeland en Utopia wordt onderzocht, wordt nog steeds geen of weinig aandacht besteed aan het meest dystopische aspect van de kolonisatie van Nieuw-Zeeland, namelijk de beleving van de Maori zelf. Sargent toont wel aan dat kolonisatie van landen vaak een dystopie betekende voor de inheemse bevolking, maar noemt de Nieuw-Zeelandse situatie zonder veel toelichting van uitzonderlijke aard omdat daar de utopie van de Maori en de utopie van de blanke Nieuw-Zeelander soms zelfs samensmolten. Dit geeft reden om aan te nemen dat het utopische imago van Nieuw-Zeeland, de ‘Nieuwste Wereld’ waar fouten uit de rest van de wereld werden ontweken, ook nu actief in stand wordt gehouden. Blijkbaar spreekt het idee van een Eutopia, een plek waar alles beter is, men nog steeds aan.

Tessel Janse

[1] Fátima Vieira, ‘The concept of utopia’, in: Gregory Claeys (ed.), The Cambridge companion to utopian literature, Cambridge 2010, 6-7.

[2] James Belich, ‘Settler Utopianism? English ideologies of emigration’, in: John Morrow, Jonathan Scott, Liberty, authority, formality. Political ideas and culture, 1600-1900, Exeter 2008, 254-281. Bij deze publicatie ontbreken paginanummers.

[3] Dominic Alessio, ‘Promoting paradise. Utopianism and national identity in New Zealand, 1870-1930’, New Zealand Journal of History 42 (2008) 1, 23.

[4] Lyman Tower Sargent, ‘Colonial and postcolonial utopias’, in: Gregory Claeys (ed.), The Cambridge companion to utopian literature, Cambridge 2010, 209.

Lyman Tower Sargent, ‘Utopianism and the creation of New Zealand national identity’, Utopian Studies 12 (2001) 1, 1.

[5] Thomas More was de eerste die de term ‘utopia’ gebruikte in zijn beschrijving van een ideale samenleving op een eiland ver van Europa.

[6] De auteur heeft in april en mei 2013 gereisd door het noorder- en zuidereiland van Nieuw-Zeeland.

[7] De koloniën die bestemd waren voor emigratie waren Canada, Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika.

[8] Sargent 2010 (zie noot 4), 200.

[9] Alessio 2008 (zie noot 3), 25.

[10] Sargent 2010 (zie noot 4), 209.

[11] Belich 2008 (zie noot 2).

[12] Belich 2008 (zie noot 2).

[13] Belich 2008 (zie noot 2).

[14] Jack P. Greene, ‘Introduction. Empire and liberty’, in: Jack P. Greene (ed.), Exclusionary Empire. English liberty overseas, 1600-1900, Cambridge 2010, 1-5.

[15] James Belich, ‘How much did institutions matter? Cloning Britain in New Zealand’, in: Jack P. Greene (ed.), Exclusionary Empire. English liberty overseas, 1600-1900, Cambridge 2010, 259.

[16] Martine Spensky, ‘’Empire Builder’. A utopian alternative to citizenship for Early-twentieth-century British ‘Ladies’’, in: Barnita Bagchi (ed.), The politics of the (im)possible: Utopia and dystopia reconsidered, New Delhi 2012, 147-165.

[17] Alessio 2008 (zie noot 3), 26.

[18] ‘Utopia’ is door More afgeleid van het Griekse ouk (niet) en topos (plaats), wat impliceert dat Utopia een niet bestaande plaats is. Een ander woord maar met dezelfde uitspraak is echter ‘Eutopia’, dat ‘goede plaats’ betekent. Op die manier heeft More een spanningsveld gecreëerd waarin Utopia zowel een niet bestaande plaats als een goede plaats is. Vieira 2010 (zie noot 1), 4-5.

[19] Alessio 2008 (zie noot 3), 24-29.

[20] Sargent 2010 (zie noot 4), 208.

[21] Belich 2010 (zie noot 15), 258.

[22] Alessio 2008 (zie noot 3), 31-32.

[23] Alessio 2008 (zie noot 3), 32-34.

[24] Sargent 2010 (zie noot 4), 214-215.

[25] Het beeld dat wordt geschetst van de rol van vrouwelijke Maori in hun originele samenleving, en de gevolgen die westerse kolonisatie voor hen hebben gehad, wordt ontleend aan: Annie Mikaere, ‘Colonization and the destruction of gender balance in Aorearoa’, Native Studies Review 12 (1999) 1.

[26] De utopie die Nieuw-Zeeland bood voor vrouwen uit de middenklasse gold dan ook voornamelijk voor ongetrouwde vrouwen, die na emigratie veel meer vrijheid zouden genieten. Voor de getrouwde vrouw was emigratie vaak niet voordelig aangezien zij haar huishoudelijke taken onder veel slechtere omstandigheden moest vervullen dan in het vaderland. Belich 2008 (zie noot 2).

[27] Sommigen zullen argumenteren dat de mannen opzettelijk hun rol hebben verdedigd, maar de vraag of mannen bewust hun superioriteit construeren en verdedigen, of dit doen uit een oprecht geloof in de hiërarchische verhouding tussen man en vrouw is een geheel andere discussie die er voor de uitkomst van dit paper niet veel toe doet.

[28] Mikaere 1999 (zie noot 25), 15, 20.

[29] Sargent 2010 (zie noot 4), 213-214.

[30] Radhika Mohanram, ‘The construction of place: Maori feminism and nationalism in Aotearoa/New Zealand’, NWSA Journal 8 (1996) 1, 50-69.

Bronnen

Alessio, Dominic, ‘Promoting paradise. Utopianism and national identity in New Zealand, 1870-1930’, New Zealand Journal of History 42 (2008) 1, 22-41.

Belich, James, ‘How much did institutions matter? Cloning Britain in New Zealand’, in: Jack P. Greene (ed.), Exclusionary Empire. English liberty overseas, 1600-1900, Cambridge 2010, 248-268.

Belich, James, ‘Settler Utopianism? English ideologies of emigration’, in: John Morrow, Jonathan Scott, Liberty, authority, formality. Political ideas and culture, 1600-1900, Exeter 2008, 254-281.

Greene, Jack P., ‘Introduction. Empire and liberty’, in: Jack P. Greene (ed.), Exclusionary Empire. English liberty overseas, 1600-1900, Cambridge 2010, 1-24.

Mikaere, Annie, ‘Colonization and the destruction of gender balance in Aorearoa’, Native Studies Review 12 (1999) 1, 1-28.

Mohanram, Radhika, ‘The construction of place: Maori feminism and nationalism in Aotearoa/New Zealand’, NWSA Journal 8 (1996) 1, 50-69.

Sargent, Lyman Tower, ‘Colonial and postcolonial utopias’, in: Gregory Claeys (ed.), The Cambridge companion to utopian literature, Cambridge 2010, 200-222.

Sargent, Lyman Tower ‘Utopianism and the creation of New Zealand national identity’, Utopian Studies 12 (2001) 1, 1-18.

Spensky, Martine, ‘’Empire Builder’. A utopian alternative to citizenship for Early-twentieth-century British ‘Ladies’’, in: Barnita Bagchi (ed.), The politics of the (im)possible: Utopia and dystopia reconsidered, New Delhi 2012, 147-165.

Vieira, Fátima, ‘The concept of utopia’, in: Gregory Claeys (ed.), The Cambridge companion to utopian literature, Cambridge 2010, 3-27.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s